Wolf Valley: Grumps (Dutch)

  • Een heel chagrijnige sheriff

     Ik hou al mijn hele leven van hem, maar hij weet niet dat ik besta...

     

    Suri

    Devon Hayes maakt al deel uit van mijn hart zolang ik me kan herinneren.

    Hij is ouder, onbereikbaar en te veel gefocust op het beschermen van de wereld om een rondborstig muurbloempje zoals ik op te merken.

    Toen hij Colorado verliet om bij het leger te gaan, was ik doodsbang dat ik hem nooit meer zou zien.

    Dat kon ik niet laten gebeuren, dus ik waagde een gok en deed iets waar ik op de middelbare school nooit dapper genoeg voor was.

    Ik schreef hem brieven.

    Honderden.

    Elke angst, elke droom, elk deel van mijn hart vertrouwde ik toe aan het papier.

    Hij heeft nooit geweten dat ik het was, en ik was ook nooit van plan het hem te vertellen.

    Totdat ik een baan aangeboden krijg in Wolf Valley.

    Ik weet dat ik hem waarschijnlijk nooit meer zal zien, dus in mijn laatste brief aan Devon onderteken ik met mijn naam.

    Ik ga ervan uit dat het hiermee klaar zal zijn, dat ik mijn verliefdheid op hem moet loslaten en me erbij moet neerleggen dat ik hem nooit meer zal zien.

    Behalve dat hij me hiernaartoe volgt.

    Nu is de man van wie ik altijd heb gehouden hier, en voor het eerst heeft hij oog voor mij.

     

    Devon

    Ik ging bij het leger om te dienen, te beschermen en een verschil te maken.

    Het hield me jarenlang bezig en ik dacht dat ik alles had wat ik wilde in het leven.

    Totdat de eerste brief arriveerde.

    Elke maand, als een Zwitsers uurwerk, verscheen er een nieuwe brief, allemaal van een vrouw die weigerde me haar naam te geven. Een vrouw die alles over mij leek te weten en alles voor me werd.

    Haar woorden hielden me in leven op de donkerste plekken.

    Haar vriendelijkheid redde me toen ik niet gered wilde worden.

    En toen stuurde ze me nog één laatste briefje om afscheid te nemen, waarin ze me eindelijk haar naam vertelde.

    Suri Michaels.

    Ze nam afscheid in haar brief, maar ik wist dat dit niet het einde voor ons was.

    Het is het begin.

    Ik ben nu uit militaire dienst en klaar om me te vestigen.

     

    En ik weet precies met wie ik dat ga doen.

  • Een heel chagrijnige dokter

     Ik haat het om naar de dokter te gaan, maar dat is momenteel niet mijn probleem. Het is dat de nieuwe arts in het dorp niet ophoudt met proberen me de zijne te maken.

    Alexi

    Ik haat dokters.

    Ik haat alles aan een bezoek aan hen.

    De kille kamers, de strenge gezichten, de manier waarop ze doen alsof ze je hele leven kennen vanwege een klembord.

    Dus als ik ziek word, stel ik het zo lang als menselijk mogelijk is uit, maar mijn koorts wordt erger, dus neem ik de gok en sleep ik mijn ellendige lijf naar Wolf Valley Medical.

    Ik ben voorbereid op een prik of een of ander smerig smakend medicijn.

    Waar ik niet op voorbereid was, was dr. Hugh Mercer.

    Groot, breed, irritant knap, en zo nors dat hij onweersbuien er vrolijk uit laat zien.

    Hij zou angstaanjagend moeten zijn, maar hij is bijna... zachtaardig.

    Om de een of andere reden kijkt hij me aan alsof ik het belangrijkste ben wat hij de hele dag heeft gezien.

    Ik haast me weg als we klaar zijn, maar nu is hij er elke keer als ik een hoek om ga.

    Om te kijken hoe het met me gaat.

    Om te vragen of ik wel eet.

    Om aan te bieden me naar huis te rijden.

    En ik blijf het enige verstandige doen wat ik kan bedenken.

    De andere kant op rennen.

    Hugh

    Ik ben al jaren arts.

    Ik heb elk soort patiënt ontmoet – nerveus, koppig, luidruchtig, boos – maar niets heeft me voorbereid op Alexi.

    Ze komt mijn onderzoekskamer binnen met rode wangen, een snotneus en genoeg pit om een hele eerste hulp plat te leggen.

    En ik val voor haar.

    Hard.

    Ze haat dokters, haat het om hulp te vragen, en ze haat het dat ik haar koorts vanaf de andere kant van de kamer kan aflezen, maar dat kan me niet schelen.

    Ik geef om haar.

    De vrouw die weigert het rustiger aan te doen, zelfs als ze ziek is.

    De vrouw die bloost elke keer als ik te dichtbij kom.

    De vrouw die me blijft aanstaren alsof ik degene ben die medische hulp nodig heeft.

    Nu moet ik alleen nog uitzoeken hoe ik haar lang genoeg kan laten stoppen met rennen om de waarheid te zien.

    Ze heeft geen dokter nodig.

    Ze heeft mij nodig.

     

    En ik geef haar, of ons, niet op.